Stedenatlas van frederick de wit

Eind 17de eeuw verscheen bij de Amsterdamse uitgever/cartograaf/graveur Frederick de Wit Theatrum ichnographicum omnium urbium et præcipuorum oppidorum Belgicarum XVII Provinciarum peraccurate delineatarum. (Perfecte aftekeningen der steden van de XVII Nederlandsche Provincien in platte gronden). Het is een zogenaamde stedenatlas, een genre dat erg populair was in de late 16de en 17de eeuw, met plattegronden van belangrijke steden uit die tijd. Dergelijke boeken werden uitgegeven door de grote atlasuitgevers van die dagen, in Nederland door Joan Blaeu, Johannes Janssonius en Frederick de Wit. Zij publiceerden atlassen van grote Europese steden, maar ook van Nederlandse. De Wit was de laatste die het genre uitgaf. Hiervoor gebruikte hij platen zowel van Blaeu als van Janssonius die hij na het opheffen van beide bedrijven gekocht had op veilingen in respectievelijk 1674 en 1694. De Wit gebruikte deze platen niet altijd klakkeloos, maar verbeterde ze: hij zette er de naam van de stad en een schaal op en vulde bepaalde onderdelen aan. Zo laat vergelijking met de platen van zijn voorgangers zien dat het centrum van de vestingstad Groenlo bij Blaeu niet ingetekend was maar bij De Wit wel, of dat De Wit een tafereeltje toevoegde aan de Janssoniusplaat van Utrecht. Soms liet hij ook een geheel nieuwe plaat maken, zoals voor Leiden.

Eerste editie

Frederick de Wit gaf het werk tweemaal uit, de eerste keer rond 1698. In deze 1ste editie zijn sommige platen enigszins aangepast, vele andere zijn ongewijzigd. Voor enkele steden gebruikte De Wit nieuwe plattegronden. De afbeeldingen in de tweede editie, die hij enige tijd later op de markt bracht, zijn nog verder bewerkt en aangepast. En door de kaarten van een aantal steden in de stedenatlassen van Blaeu en Janssonius te vergelijken met de nieuwe kaarten van De Wit, is de stadsontwikkeling en de ontwikkeling van de vestingwerken goed te zien. De atlassen van De Wit zijn minder frequent bewaard gebleven dan die van Blaeu. Van deze eerste uitgave zijn tot nu toe wereldwijd slechts vier exemplaren bekend. En geen enkele is zo fantastisch ingekleurd als dit exemplaar, wat het uniek maakt. Niet alleen de uitvoering, ook de samenstelling van een stedenatlas kon door de koper aan zijn eigen smaak aangepast worden. Daardoor is geen enkel exemplaar helemaal hetzelfde. Hier zijn bijvoorbeeld prenten en steden toegevoegd, terwijl plattegronden van enkele Zuid-Nederlandse steden weggelaten zijn. Zo zijn enkele prenten toegevoegd uit de omgeving van Utrecht, de vermoedelijke woonplaats van de koper, waarschijnlijk een lid van de familie Van Vollenhoven. In dit exemplaar zijn op 112 bladen met plattegronden en 11 bladen met gravures in totaal 151 steden uit de Lage Landen afgebeeld.

Stedenkaarten

Al vanaf de klassieke oudheid werden kaarten geproduceerd waarmee geprobeerd werd de wereld in beeld te brengen. De ontdekkingsreizen gaven een flinke boost aan de cartografie en Amsterdam – na de val van Antwerpen een centrum voor verkenningstochten naar nieuwe handelsroutes – werd een belangrijk productiecentrum van kaarten en atlassen. Naast kaarten van landen en gewesten, kon uiteraard ook een gedetailleerde plattegrond van een stad gemaakt worden. In de Nederlanden was een van de eersten die zich hiermee bezighield de Noord- Nederlandse cartograaf Jacob van Deventer (ca. 1500-1575). Hij kreeg in 1558 van Filips II de opdracht om alle steden in de Nederlanden in kaart te brengen, waardoor de Spaanse vorst goed inzicht kreeg in deze gewesten. Zijn kaarten waren militair geheim en zijn nooit in druk verschenen. De eerste gedrukte uitgave van een stedenatlas was Civitates Orbis Terrarum van Georg Braun en Frans Hogenberg. Dit werk werd in 6 delen uitgegeven in Keulen tussen 1572 en 1618 en bevat 363 platen met 543 afbeeldingen van steden uit Europa en zelfs uit andere werelddelen (Afrika, West- en Oost-Indië en Turkije). Dit werk was een voorbeeld voor de Amsterdamse kaartenuitgevers Janssonius en Blaeu.

De zeventiende-eeuwse stadsplattegrond

Het is intrigerend hoe mensen lang voor de komst van het vliegtuig toch in staat waren om kaarten te maken. Met de uitvinding van het perspectief en vooral van de landmeetkundige methoden kregen cartografen de beschikking over technieken die nauwkeurigere kaarten mogelijk maakten. Voor het maken van een stadsplattegrond werd de zogenaamde ‘veelhoeksmeting’ gebruikt. De landmeter loopt door de straten van de stad en meet de lengte van de rechte stukken door het afpassen (tellen van het aantal stappen) of met een meetketting. Bij bochten, zijstraten en kruisingen worden de richtingen met een kompas opgenomen of worden de hoeken tussen de straten gemeten met een hoekmeetinstrument. Op deze manier krijg je een netwerk van lijnstukken die het ‘skelet’ van de stadsplattegrond weergeven. In dit netwerk worden de huizen, grachten, vestingwerken en dergelijke ingetekend. De bijzondere gebouwen van een stad worden zodanig getekend dat het lijkt alsof je ze van schuin boven bekijkt, in vogelvluchtperspectief. Om zo’n beeld van een gebouw te maken werden schetsen gemaakt van de gevels en werd de lengte en hoogte bepaald. Met deze gegevens kon het ‘driedimensionale’ plaatje van het gebouw geconstrueerd worden. Het plaatje is dan op de juiste plaats in de plattegrond getekend. Het komt voor dat het gebouw wat gedraaid wordt om het beter uit te laten komen.

« Terug